woensdag 9 april 2014

Het verhaal van Stephanie...

Toen ik hem daar zag staan besefte ik me dat dit hem niet werd, het was te laat om me om te draaien. ‘Hee! Jij moet Stephanie zijn!’ Kut, nu kom ik er al helemaal niet meer onderuit. ‘Zeg maar Steef.’ zeg ik hem met een lieve glimlach. Nu moet ik deze gast zo snel mogelijk zien te dumpen, want om hier een heel etentje mee uit te zitten, dat wordt ´m niet, denk ik terwijl hij me vraagt wat ik wil drinken. Dit wordt een zogeheten noodoproep. Ik stuur m’n vriendin en huisgenoot  Ellis een berichtje: ‘SOS’. Dit is genoeg informatie voor haar, want vijf minuten later wordt ik opgebeld, met de mededeling dat ze niet zo lekker is en of ik alsjeblieft naar huis kan komen. Ik verontschuldig me bij de jongeman en doe mijn jas terug aan en stap naar buiten. Tot mijn eigen verbazing ga ik daadwerkelijk naar huis, heel m’n avond is toch al verpest. Ik loop naar de voordeur van ons huisje en terwijl ik m’n sleutel in het slot steek zie ik nog een keer zijn gezicht voor me. ‘Thanks El! Dit werd hem echt niet.’ ‘Weet je zeker dat je er niet met iemand over moet gaan praten? Kijk, ik vind het niet erg, maar ik maak me zorgen over jou, je wilt graag een nieuwe relatie maar je kan niet over de vorige heen komen.’ Ik krijg tranen in m’n ogen, ze heeft gelijk, ook al ga ik dat natuurlijk in geen honderd jaar toegeven. ‘Dat slaat nergens op, hij was gewoon heel erg lelijk.’ Mijn blinddate was precies het tegenovergestelde: lang, donker haar en prachtige diepbruine ogen. Zijn ogen. Ik loop weg, ik kan niet meer tegen Ellis’ d’r gelijk. Ik knal met de deur en ga op bed liggen. Ik probeer in slaap te vallen en de seconde voordat ik weg ben zie ik hem voor me.

Godverdomme, wat is dat geluid nu weer? Ik doe één oog open. Oh kut, mijn wekker. Welke dag is het vandaag? Oh ja, dinsdag. Kut, ik moet me haasten anders kom ik nooit meer op tijd. Ik spring uit m’n bed zo onder de douche. Ons appartementje is zo klein, het is er maar een paar meter naar toe lopen. Na m’n douche check ik m’n telefoon, in de linkerbovenhoek zie ik het icoontje van WhatsApp. Een berichtje? Het komt van een onbekend nummer, ik bekijk de foto. De jongen van gisteravond, met de bruine ogen. Zijn ogen. Hij vraagt hoe het nog is afgelopen met mijn vriendin. Ik negeer het berichtje. Maar als ik later door de stad loop, richting mijn stamcafé, kom ik hem tegen. ‘Hé Steef!’ Ik blijf staan en zeg hem gedag. Hij begint te praten. Hij heet Storm zegt hij. ‘Storm?’, ik kijk hem verbaasd aan. ‘Haha, ja mijn ouders waren verlate hippies.’ Hij lacht zijn tanden bloot, een prachtig gebit. Het is zo’n mooie jongen, maar zijn ogen, ze lijken teveel op die van hem. Ik staar hem aan, maar zodra hij terugkijkt, kijk ik weg. ‘Hey gaat het wel?’. Ik richt mijn blik weer terug op hem. ‘Ja hoor, gewoon moe. Ik ben een beetje aan het stressen’. ‘Tentamens?’ Weer die lach. ‘Ja, snap je wat ik bedoel?’ ‘Haha, nee, gelukkig niet. Ik ben al lang geleden gestopt met school.’ ‘Oh hoe dat zo dan?’ ‘Dat vertel ik je nog wel een keer, of nu als je tijd hebt? We kunnen wel ergens wat gaan drinken? Ik ken hier een leuk café!’ ‘Uhm nou eigenlijk…’ ‘Ah kom op, je liet me gisteren ook al zitten.’ ‘Oké, naar welk café zou je willen gaan dan?’ ‘Ken je café het Appeltje?’ Café het appeltje was al twee jaar een vast begrip binnen onze vriendengroep. We zeiden niet eens meer het appeltje, het was al omgevormd tot  ‘ik zie je in de appel’. ‘Ja, dat café ken ik wel ja, dat is mijn vaste kroeg eigenlijk.’ Ik glimlach. Het is zo’n mooie jongen. Als hij die ogen niet had gehad, was het al een ander verhaal geweest. 

Wordt vervolgd

Geen opmerkingen:

Een reactie posten